In 1880 schilderde Arnold Böcklin zijn eerste van vijf Toteninsel. Het kwam hier al eens langs, omdat het schilderij componist Sergej Rachmaninov in 1909 inspireerde tot het maken van een symfonisch gedicht. Vier jaar later componeerde Max Reger Vier Tondichtungen nach A. Böcklin. Daarbij is er heel nadrukkelijk ook een link naar Moritz von Schwind.
De componisten Max Reger en Sergej Rachmaninov scheelden twaalf dagen. Reger werd op 19 maart 1873, Rachmaninov kwam op 1 april van dat jaar op de wereld. Misschien hebben ze elkaar wel ooit ontmoet, ik heb het nergens kunnen vinden. Toch is dat interessant, omdat ze zich allebei hebben laten inspireren door dezelfde schilder, Arnold Böcklin. Böcklin overleed in 1901 op 74-jarige leeftijd. Zowel Reger als Rachmaninov was toen 28 jaar oud en beide stonden ze nog aan het begin van hun carrière. Van Rachmaninov is bekend dat hij zich bij zijn compositie baseerde op een zwart-wit reproductie. En het is zeer waarschijnlijk dat Reger Böcklin ook nooit heeft ontmoet en zich heeft bediend van reproducties.
Voor zijn Vier Tondichtungen koos Reger vier schilderijen van Arnold Böcklin als inspiratiebron: Der Einsiedler (1884), Im Spiel der Wellen (1883), Toteninsel (1883) en Bacchantenfest (ca. 1856). Im Spiel der Wellen en Toteninsel behoren tot Böcklins bekendste werken. Toteninsel zagen we al bij Rachmaninov en Im Spiel der Wellen is een variant op Triton und Nereide, die hier ook al eens langskwam.

Regers eerste Tondichtung, Der geigende Eremit, is vooral inhoudelijk interessant. In Der Einsiedler toont Böcklin een kluizenaar, van je je overigens kunt afvragen of hij wel kluizenaar is. Hij speelt viool voor een votiefbeeldje op een muur van een huis. Naast de kluizenaar zien we een aanbouw aan het huis, waar door het bovenlicht twee putti kijken. Ook in de rug van de kluizenaar bevindt zich een putto, die het tafereel door een raampje gadeslaat. Vergelijk deze kluizenaar met die van Moritz von Schwind en direct valt het verschil in setting op. Bij Schwind hebben de kluizenaars zich echt teruggetrokken in de natuur, waar ze van takken en blad iets van een onderkomen hebben gebouwd. Böcklins kluizenaar bevindt zich ogenschijnlijk nog in de bewoonde wereld. Nu zijn er in het werk van Schwind geen vioolspelende kluizenaars te vinden. Wel was Schwind zelf een verdienstelijk violist en diverse van zijn kluizenaars verdrijven de tijd met het maken van muziek. Bij het vertalen van B’ocklins schilderij naar een muziekstuk hoefde Reger niet heel veel moeite te doen. Logischerwijze voert de viool in zijn stuk de boventoon.

Reger baseerde zijn vierde Tondichtung, Bacchanal, op Böcklins Bacchantenfest. De titel die verwijst naar de nimfen die de god Bacchus vergezelden roept associaties op met drank en seks. Bij Schwind zien we wel nimfen (of vergelijkbare wezens als elfen, nixen en nereïden), maar die gedragen zich een stuk onschuldiger. Ze doen rondedansjes of geven hertjes te drinken. Toch is er een opvallende link tussen het schilderij van Böcklin en het werk van Schwind. In tal van bosvoorstellingen zoals Schwind die schilderde, speelt de verbeelde scėne zich af in het onderste deel, dat hij behoorlijk in het licht gezet heeft. Dit beslaat ongeveer een kwart tot een derde van het doek. Daarboven schilderde hij een haast ondoordringbaar geheel van donkere takken en bladeren. Im Walde is er een treffend voorbeeld van. Böcklin doet in zijn Bacchantenfest nagenoeg hetzelfde.

Ook is er een opvallende gelijkenis met Schwinds Die Rose, waar een stoet muzikanten van rechtsonder in de hoek zich over een hellend pad naar links begeeft. Böcklin laat het verhaal daar eindigen, bij Schwind gaat het nog weer terug naar rechts.
Het zou interessant zijn om na te gaan waarom Reger voor werken van Böcklin heeft gekozen. Ook zou ik wel willen weten of Reger het werk van Moritz von Schwind heeft gekend en of hij zich ervan bewust is geweest dat Böcklin bij in ieder geval twee van zijn vier schilderijen geput heeft uit het werk van Schwind. Omdat Reger twee jaar na Schwinds dood in 1871 geboren werd en ze elkaar dus nooit ontmoet of gecorrespondeerd hebben, zou hierover uitsluitend informatie te vinden zijn dagboeken of in briefwisselingen met anderen. Of die er zijn en waar heb ik nog niet kunnen achterhalen. Een aanwijzing zou kunnen zijn dat Max Reger een stuk heeft gecomponeerd met de titel Aus meinem Tagebuch.
