
À une passante, gedicht van Charles Baudelaire
Gevonden op de Zoeterwoudsesingel in Leiden
Charles Baudelaire (1821 – 1867) werd geboren in Parijs als zoon van een uitgetreden priester. Zijn vader overleed toen Charles vijf jaar oud was. Zijn moeder die 34 jonger was dan zijn vader, hertrouwde twee jaar later met generaal Jacques Aupick. Aanvankelijk kon de jonge Charles het goed vinden met zijn stiefvader, maar op latere leeftijd kwam het tot flinke botsingen. Baudelaire ging naar een lyceum in Parijs, werd drie jaar later vanwege een kleinigheidje weggestuurd en ging vervolgens niet meer naar school. Hij leidde het leven van een bohemien, had veel vriendinnen en almaar oplopende schulden. Vanwege zijn ‘schandalige gedrag’ stuurde zijn stiefvader Baudelaire op een bootreis naar Indië. Halverwege, op Mauritius, nam Baudelaire een boot terug, met diverse gedichten op zak.
Terug in Frankrijk vond hij werk als kunstcriticus. Daarnaast bleef hij gedichten schrijven, wat uiteindelijk, in 1857, zou leiden tot de publicatie van zijn bekendste bundel Les fleurs du mal. Teleurgesteld over wat de revolutie van 1848 had opgebracht, trok Baudelaire weg uit Parijs. Hij vertaalde het werk van de recent overleden Edgar Allan Poe en vestigde diens naam in Europa. Les fleurs du mal werd niet goed ontvangen: te vrijmoedig, grensoverschrijdend, obsceen, immoreel en kwetsend luidden de oordelen. Verbitterd vestigde Baudelaire zich in Brussel, waar hij werkte aan een tweede druk, zonder zes gedichten die verboden waren verklaard, maar met talloze nieuwe gedichten. Met zijn poëzie baande Baudelaire het pad naar het modernisme in de Franse literatuur.

Geef een reactie