
Strofe uit het gedicht Aprilregen van Margot Vos
Gevonden door Sybrand in de Beekstraat in Hengelo
Margot Vos (1891 – 1985) werd geboren in Nieuw-Amsterdam als dochter van twee onderwijzers. Zelf stond ze ook enkele jaren voor de klas. Na haar huwelijk met onderwijzer jan Hilvers begon ze met schrijven. Haar eerste dichtbundel, De nieuwe lent (1923), werd goed ontvangen en een jaar later publiceerde ze al De dienende maagd. Vos kwam uit een sociaal-democratisch milieu en dat werd duidelijk in sommige van haar volgende bundels, waarin haar taal wat feller werd. In 1932 kwam er een scheuring in de SDAP en ook Vos en haar man verlieten de partij om zich aan te sluiten bij de nieuwe Onafhankelijke Socialistische Partij. Tijdens de Tweede Wereldoorlog boden Vos en haar man twee weken lang een onderduikadres aan kunstenares Fré Cohen. Na de oorlog heeft Cohen geregeld werk van Vos geïllustreerd.

Aprilregen is afkomstig uit de bundel Intermezzo (1925). De volledige tekst luidt:
Aprilregen
O dat stille geheimzinnige ruischen
Van den voorjaarsregen in ’t hout!
O dat zoete beloftevol fluist’ren
Aan de struiken die luist’ren en luist’ren
Met vochtige monden van goud!
De trillende aanraking der liefde
Golft door tot in ’t hart van ’t heelal,
Nu klimt uit de wijkende gronden
De bloesem naar boven in ronde
Roomkleur’ge gewelven, en zal
De verjonging der wereld verkonden
Met bloeiende lippen, van ’t woud
Der hooggebergten tot aan de
Koraalrif der diepzee, uitslaande
Haar eeuwige golven van goud.

Geef een reactie