
Onsterf’lijk maakt de oorspronk’lijkheid!, laatste regel van het gedicht Eene Halve-Eeuws Wake van E.J. Potgieter
Gevonden op zijn graf op De Nieuwe Ooster, Kruislaan 126, Amsterdam
Everhardus Johannes Potgieter (1808 – 1975) wordt geboren in Zwolle. Tussen 1827 en de Belgische Opstand van 1830 woont hij in Antwerpen, waar hij werkt op een handelskantoor. In Antwerpen komt zijn belangstelling voor de literatuur tot bloei. Tijdens een verblijf van anderhalf jaar in Zweden (april 1831 – december 1832) schrijft hij Het Noorden, in omtrekken en tafereelen. Het wordt zijn literaire debuut.
Terug in Amsterdam geeft hij met Reinier Bakhuizen van den Brink, Aarnout Drost en Jan Pieter Heije het literaire tijdschrift De Muzen uit. Met als ondertitel Nederlandsch tijdschrift voor de beschaafde en letterkundige wereld verschijnen er in drie jaar tijd uiteindelijk zes afleveringen.
In 1837 staat Potgieter samen met C.P.E. Robidé van der Aa aan de wieg van het progressief-libnerale weekblad De Gids, dat nog altijd bestaat. Hij blijft redacteur van het blad tot hij in 1865 in een conflict rond redacteur Conrad Busken Huet de kant van de laatste kiest, terwijl die door de andere redacteuren juyist is weggestuurd.
Potgieter heeft grote belangstelling voor de zeventiende eeuw en is een groot bewonderaar van P.C. Hooft. In zijn Jan, Jannetje en hun jongste kind geeft hij af op de lamlendigheid en de benepenheid van zijn eigen tijd. De door hem geïntroduceerde figuur Jan Salie is daar de personificatie van.
In 1851 publiceert Potgieter Eene Halve-Eeuws Wake, een gedicht waarin hij als het ware terugblikt op de dichters die Nederland in de eerste helft van de eeuw heeft voortgebracht. Heel erg positief is Potgieters oordeel over het algemeen niet. De laatste regel van het gedicht is, zoals gezegd, terug te vinden op zijn graf.
Hoort, zangsters! hoort
Mijn afscheidswoord
En draagt het voort
Van oord tot oord:
Mijn middag heeft nog niet gegloord!
De poëzij
Gaat nooit voorbij,
Houdt gij
U vrij
Van bastaardij
En kerk- of kunstleers slavernij
Wat nieuwe vorm de wereld beidd’,
U geldt nog, ’t zij ge juicht of schreit:
Onsterf’lijk maakt de oorspronk’lijkheid!

Geef een reactie