Ik verbleef een weekje op het Franse platteland, waar ik in een onbeduidend dorpje stuitte op een rond soort vijvertje met een gemetselde stenen rand. Het bordje ernaast maakte me nieuwsgierig en leidde me naar een bijzondere categorie heiligen, cefaloforen.
In Germigny-l’Exempt, een dorpje met amper driehonderd inwoners in het departement Cher, ligt de Fontaine Saint Espin. Het is niet helemaal duidelijk of het een bron is of een put, fontaine kan allebei betekenen. Er zijn wel diverse legendes aan de fontaine verbonden. Zo zou het drinken van het water goed zijn tegen nierziektes. Op donderdagen, als de kinderen van het dorp vrij van school waren, verboden hun ouders hen om bij de fontaine te gaan kijken omdat hij heel erg diep was. En ten slotte zou er ergens in de achttiende eeuw een veehouder die erg gewelddadig tegen zijn runderen was, bij het terugtrekken van een span zijn gevallen en verdwenen in de diepten van de fontaine.

Nu is er een Franse historicus, Emmanuel Legeard, die onderzoek heeft gedaan naar de kerktoren van Germigny-l’Exempt. In deze context helpt dat ons niet verder, behalve dan dat hij ergens vermeldt dat Expenius in het dorp is aangetroffen op de rand van een bron. Maar bovendien meldt Legeard, overigens zonder enig bewijs, dat deze Expenius cefalofoor is. Ook dat helpt ons verder niet, het maakt het eerder schimmiger.
Cefalofoor is een begrip dat gehanteerd wordt voor het aanduiden van heiligen die zijn onthoofd, maar die desondanks weer zijn opgestaan, daarbij hun hoofd onder hun arm meedragend. Zoekend op cefalofoor kom ik er enkele tientallen tegen: één in België, in Duitsland en Zwitserland, twee in Spanje en drie in Groot-Brittannië en Italië. Maar geen van die landen komt ook maar in de buurt van Frankrijk, waar 22 cefaloforen bekend zijn. Elders vind ik nog drie Franse cefaloforen plus een Nederlandse. En op een Franse website over Franse mythen is zelfs sprake van 75 Franse cefaloforen.

Een van de Franse cefaloforen is een zekere Principinus, die ik al ergens was tegengekomen als de broer van Expenius, die zelf overigens niet genoemd wordt. Deze Principinus komt uit de Auvergne en dat valt weer moeilijk te rijmen met Centre-Val de Loire. Dan is er nog een zekere Reverianus, die uit de omgeving van Nevers afkomstig is. Dat komt topografisch behoorlijk in de buurt van Germigny, maar de naam Reverianus is op geen enkele manier te herleiden naar Expenius, Espin of een van de andere varianten.
Een van de bekendste cefaloforen in de kunst is Justus van Beauvais. Rond 1630 schilderde Peter Paul Rubens Het mirakel van Sint-Justus. We zien twee volwassen mannen die zich verbazen over wat zij voor zich zien gebeuren. Hier is een jongen, van wie zojuist zijn hoofd is afgehakt, aan het opstaan, terwijl hij dat hoofd draagt in beide handen. De ogen lijken juist weg te kijken van de beide mannen.

Volgens de overlevering is Justus ten tijde van keizer Diocletianus (3e eeuw) met zijn vader van Auxerre naar Beauvais gelopen om daar zijn oom vrij te kopen. Op de terugtocht werden ze achterna gezeten door vier ruiters. Vader en oom verstopten zich en toen Justus niet wilde zeggen waar, werd zijn hoofd afgeslagen. De twee mannen op Rubens’ schilderij zijn dus Justus’ vader en oom. De plek waar dit alles zou hebben plaatsgevonden heet nog altijd Saint-Just-en-Chaussee. Rubens schilderde het doek om het cadeau te kunnen geven aan de Antwerpse kloosterorde die de schedel van Justus in bewaring had.
Een andere bekende cefalofoor is Dionysius van Parijs. Hij werd in de 3e eeuw door paus Fabianus I naar Parijs gestuurd om daar het geloof te verkondigen. OP de plek van de huidige Notre Dame zou hij een houten kerk hebben gebouwd en zelf zou hij de eerste bisschop van Parijs zijn geweest. De heidense bevolking moest weinig van hem hebben en vermoordde hem en twee metgezellen. Dionysius werd onthoofd, maar zou zijn hoofd hebben opgepakt en weer zijn opgestaan. Hij wandelde vervolgens naar de plek waar hij begraven wilde worden. Een mooiere daad om heidenen te overtuigen van jouw boodschap is nauwelijks denkbaar. Dionysius leeft in Parijs nog altijd voort in de herinnering via zijn Franse naam Saint Denis.

En dan is er nog het verhaal van Valeria van Limoges. Zij was de dochter van de gouverneur van de stad. Haar vader regelde een huwelijk met een hoge Romeinse functionaris, maar toen zijn zeer gelovige dochter dat pertinent weigerde, liet deze Romein haar ter plekken onthoofden. Daarop gebeurde een dubbel wonder. Niet alleen werd de beul getroffen door een goddelijke bliksem, ook pakte Valeria haar hoofd op en liep ze naar een plek waar een mis werd opgedragen.
Alle verhalen over cefaloforen brengen ons niets dichter bij de opheldering van het mysterie rond Espin en zijn fontaine. Wat ze wel laten zien is dat er, misschien wel meer dan elders in Middeleeuws Europa, sprake is van mythevorming, waarbij verhalen ook nog wel eens willen overlappen. Het beeld dat er hier in Germigny-l’Exempt ooit iemand op de rand van de fontaine heeft gezeten met naast hem een sluimerend hoofd, wil me ondertussen niet loslaten. Maar tegelijkertijd ben ik me ervan bewust dat het hooguit een toevoeging is op een al bestaande mythe.

Geef een reactie