Het belang van lezen op jonge leeftijd kan niet voldoende benadrukt worden. Maar bij lezen geldt, ongeacht de leeftijd, vaak ook dat je er iets van opsteekt. Zo opende een bijzin in Eerste liefde van Ivan Toergenjev voor mij een heel nieuwe kunsthistorische wereld.
In Eerste liefde, de veelgeprezen novelle van Ivan Toergenjev, zie je als lezer, veel eerder dan de zestienjarige hoofdpersoon Vladimir Petrovitsj, dat prinses Zinaïda, op wie hij smoorverliefd is, ook de minnares van zijn vader is. Je zou dit een spoiler kunnen noemen, ware het niet dat dit gegeven van ondergeschikt belang is voor de beleving van en de waardering voor de novelle. Mij overkwam bovendien wat Toergenjev beschrijft in de volgende passage:
“Ik werd meegesleept door mijn verbeelding. Ik stelde mij voor hoe ik haar zou redden uit de handen van vijanden, hoe ik geheel besmeurd met bloed haar uit een kerker zou bevrijden, hoe ik zou sterven aan haar voeten. Ik bracht mij een schilderij voor de geest dat bij ons in de salon hing: Malek-Adel ontvoert Mathilde – maar op dat moment werd mijn aandacht afgeleid door een grote bonte specht die bedrijvig langs de dunne stam van een berk omhoogklom en er voortdurend onrustig omheen keek, nu eens rechts, dan weer links, net als een muzikant vanachter de hals van zijn contrabas.”

Zoals het Vladimir Petrovitsj verging door de bonte specht, zo trok de verwijzing naar het schilderij onmiddellijk mijn. aandacht. Wie zijn Malek-Adel en Mathilde? Van wie is het schilderij?
Voor het antwoord op die vragen komen we al snel uit bij romanschrijfster Sophie Cottin. Zij werd geboren in 1770 en trouwde toen ze negentien jaar was met de rijke bankier Jean Paul Cottin. In 1793 werd hij beschuldigd van Jacobijnse sympathieën, maar in de nacht voorafgaand aan zijn arrestatie werd een hartaanval hem fataal. Zo verloor Sophie Cottin niet alleen haar man, maar ook een groot deel van zijn vermogen dat in beslag genomen werd.
Als madame Cottin begon ze met het schrijven van romantische-historisch romans. In vijftien dagen tijd schreef ze Claire d’ Albe, dat nog te lezen is als een persoonlijk verslag van wat haar overkomen was, compleet met alle emoties die dat teweeg had gebracht. Ook Malvina (1800) toont hier en daar nog overeenkomst met Cottins eigen leven. Dat gaat niet meer op bij Amélie Mansfield (1802), Elisabeth of de ballingen van Siberië (1806), maar ook niet bij Mathilde, ou Mémoires tirés de l’histoire des croisades (1805), het boek waar het hier om draait.
Dat verhaal speelt tijdens de Derde Kruistocht, aan het einde van de twaalfde eeuw. Heldin Mathilde, beter bekend als Matilda, is de zuster van Richard Leeuwenhart. Die laatste neemt het tijdens de kruistocht op tegen Al-Nasir Salah ad-Din Yusuf ibn Ayyub, in Europa bekend als Saladin. Zijn broer, in de roman Malek-Adel geheten, neemt Mathilde gevangen, maar er is direct sprake van wederzijds respect. Uiteindelijk slaagt Mathilde erin om Malek-Adel tot christen te bekeren, waarna hun liefde kan opbloeien.

Zelfs uit deze korte samenvatting kan een ongekend romantisch verhaal worden afgeleid, waarvan het niet verwonderlijk is dat het buitengewoon populair werd. De bekendste kunstenaar die een scène uit het verhaal verbeeldde is waarschijnlijk Horace Vernet. Hij maakte in 1817 een voorstelling, in het bezit van het Rijksmuseum in Amsterdam, van het sterven van Malek-Adel, met zijn hoofd in de schoot van Mathilde. Maar er is iets vreemds aan de hand met dit werk. Op de site van het Rijksmuseum is de titel Gevangenname van Mathilde. Dat zien we zeker niet in de prent, maar misschien wel in een schilderij van Vernet dat de titel Ontvoering heeft. We zien een vrouw die tegen haar wil aan boord van een roeiboot wordt gebracht. Het drama in dit schilderij zit hem meer in het landschap en de weersomstandigheden, dan in de details. Zo is het op basis van de beschikbare afbeeldingen (het origineel hangt in Riga) niet met zekerheid te zeggen of de ontvoerder een moslimprins is.

In het verbeelden van Mathilde hebben vier vrouwen misschien wel betere keuzes gemaakt dan Vernet. Van Amélie Legrand de Saint-Aubin kunnen we dat nog niet beoordelen. Zij stelde op de salon van 1822 twee doeken tentoon: Mathilde dans son oratoire en Baptême et mort de Malek-Adhel. Helaas heb ik van beide werken geen afbeelding kunnen vinden.
Césarine Davin-Mirvault schilderde La Mort de Malek-Adhel dat ze in 1814 inzond voor de Salon van dat jaar. We zien Malek-Adel op het moment dat hij overlijdt. Zijn hand wordt vastgehouden door Mathilde en het stel wordt bijgestaan door een heremiet die in ieder geval in het boek van Cottin niet voor lijkt te komen. Zijn zwaaien met een crucifix is misschien wel iets te veel van het goede.

Eugénie Servières schilderde in 1820 Maleck-Adhel attendant Mathilde au tombeau de Josselin de Montmorency. Die laatste is een gesneuvelde kruisridder, die met alle egards is bijgezet in een mausoleum. En juist dat is de plek waar Malek-Adel en Mathilde elkaar discreet kunnen ontmoeten. Servières vertelt meer dan Vernet, met zijn toch wat dertien-in-een-dozijn sterfscène of zijn onduidelijke Ontvoering. Tegelijk is de voorstelling minder moralistisch dan die van Davin-Mirvault.
Servières heeft al eerder, in 1812, een schilderij ontleend aan Cottins roman. La chrétienne Mathilde obtenant la conversion de Malek-Adhel en répondant à son amour. Dit schilderij toont de bekering van Malek-Adel, waardoor het voor Mathilde mogelijk wordt om zijn liefde te beantwoorden.
Het meest geinspireerd door Cottins roman was schilderes Rosalie Caron. Zij koos maar liefst voor drie scènes uit Mathilde. In 1812 schilderde ze Mathilde et Malek-Adhel au tombeau de Montmorency, dat door de aanwezigheid van Mathilde in handeling direct aansluit op het doek dat we al zagen van Servières. In 1816 koos Caron voor een andere scène, Mathilde surprise dans les jardins de Damiette par Malek Adhel. Vermoedelijk gaat het hier om het moment dat Malek-Adel, die zelf al gevallen is voor Mathilde, haar het hoofd op hol brengt, maar ook haar religieuze gewetensnood aanwakkert. Carons derde schilderij dateert van rond 1824 en brengt ons terug naar het graf van Montmorency. In Mathilde et Malek-Adhel surpris dans le tombeau de Montmorency par l’archevêque de Tyr is het bisschop Willem van Tyrus die Mathilde en Malek-Adel in de tombe van Montmorency betrapt. Nu komt het erop aan of zij hem van hun zuivere bedoelingen kunnen overtuigen.

Is er dan helemaal geen mannelijke kunstenaar die zich met dit thema heeft beziggehouden? Het is even zoeken voor ik uitkom bij Jean-Claude Rumeau, die betrekkelijk laat, in 1825, een tamelijk nietszeggend tafereeltje geschilderd heeft in waterverf. Verder zijn het, net als bij Vernet, grafische voorstellingen die bedoeld waren als illustratie in het boek.

Bij het beoordelen van Cottins roman en de voorstellingen die ervan zijn afgeleid, dient zich onherroepelijk de vraag aan, wat er historisch allemaal deugt aan het verhaal en wat er is ontsproten aan Cottins fantasie. De derde kruistocht vond plaats tussen 1189 en 1192, en dus niet aan het eind van de dertiende eeuw, waarin sommige bronnen het verhaal van Mathilde plaatsen. Richard Leeuwenhart en Saladin stonden zeker tegenover elkaar, maar of de zus van de eerste en de broer van de tweede een rol hebben gespeeld, valt zeer te betwijfelen.
Daarbij zal de liefdesgeschiedenis volledig voor rekening van Cottin komen. Met wat goede wil zou je hier al een vooruitlopen op het oriëntalisme in kunnen zien.
Een andere vraag die deze hele kwestie oproept, is of vrouwen, meer dan mannen, geraakt worden door deze bijzondere geschiedenis. Dat zou je kunnen stellen als je kijkt wie het verhaal geschreven heeft en wie het vervolgens verbeeld hebben. Toch heeft Mathilde ook bij mannen een snaar geraakt. Het is niet voor niets dat Toergenjev ernaar verwijst. daarbij ben ik ook wel neiuwsgierig welk schilderij er bij de familie van Vladimir Petrovitsj aan de wand gehangen heeft. Puur kijkend naar de verschillende titels zou dat misschien toch het doek van Vernet zijn geweest.

Geef een reactie