
Dichtregels van Adriaan Roland Holst
Gevonden op een steen in een fontein aan het begin van de KNSM-laan in Amsterdam
Adriaan Roland Holst (1888 – 1976) werd geboren in Amsterdam, maar groeide op in het Gooi. In Hilversum bezocht hij de Gemeentelijke HBS, die later naar hem vernoemd werd. Hij studeerde Keltische Letteren aan de Universiteit van Oxford. In 1908 debuteerde hij met enkele gedichten in het literaire tijdschrift De XXste eeuw. Drie jaar later verscheen zijn eerste bundel met de titel Verzen. In 1918 verhuisde Roland Holst naar Bergen, waar hij de rest van zijn leven bleef wonen. Alleen tijdens de Tweede Wreldoorlog moest hij onderduiken, omdat hij weigerde zich aan te sluiten bij de Kultuurkamer. Twee keer werd Roland Holst genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur, in 1955 (uitgereikt aan IJslander Halldór Laxness) en in 1961 (uitgereikt aan Joegoslaaf Ivo Andric).
Adriaan Roland Holst was een neef van beeldhouwer Richard Roland Holst en dichteres Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk.
In 1956 bestond de Koninklijke Nederlandse Stoomboot-Maatschappij 100 jaar. Een van de geschenken was een beeldengroep Amphitrite van beeldhouwer Albert Termote. Roland Holst schreef er speciaal deze regels bij.
Amphitrite
Dochter van Nereus, hoog te paard; hoe raast
de branding, waar uw zoon de zeehoorn blaast!
Luidt weer een eeuw hij in voor onze schepen?
Uw wild hart was hun harten steeds het naast.


Geef een reactie