
Dichtregel van H.H. ter Balkt
Gevonden op het Gebroeders van Limburgplein in Nijmegen
Herman Hendrik (Harry) ter Balkt (1938 – 2015) wordt geboren in Usselo. Hij bezoekt het gemeentelijk lyceum in Enschede, maar verlaat de school voortijdig. Na anderhalf jaar leerling-journalist bij dagblad Tubantia te zijn geweest, meldt hij zich in 1958 aan voor de kweekschool in Almelo. Hij is enkele jaren onderwijzer in Zandpol, bij Schoonebeek, maar in 1967 verhuist hij naar Nijmegen. Hier geeft hij nog tot 1983 les op een basisschool. Al op zijn elfde begint hij met het schrijven van gedichten en waar eerder de uitgave van zijn bundel Electronen niet doorgaat, debuteert hij in 1969 in het tijdschrift Bijster. Hij bedient zich daarbij van het opvallende pseudoniem Habakuk II de Balker. Het leidt nog tot speculaties welke dichter er achter deze naam schuilgaat. In 1971 geeft Ter Balkt in interviews voor het eerst duidelijkheid over zijn pseudoniem dat hij niettemin nog tot 1977 blijft hanteren. In 1973 publiceert hij ook proza, dit keer onder het pseudoniem Foel Aos, een Twents begrip dat zoveel betekent als strekenuithaler.
Na 1987 kan Ter Balkt, hoewel het geen vetpot is, volledig leven van zijn schrijfwerk. Uit zijn gedichten spreekt vaak een grote verbondenheid met de natuur. Ter Balkt toont zich zeer productief en zijn werk wordt geregeld bekroond. Zo krijgt hij in 1998 de Constantijn Huygensprijs en in 2003 de P.C. Hooftprijs, beide voor zijn gehele oeuvre. In 2014 ontvangt hij de erepenning van de gemeente Nijmegen.
Volledige tekst:
“Halverwege Hibernia en de Tigris strijken de lange eeuwen voorbij Valkhof en Weeshuis van Noviomagi. De as van het brandende stadshart verwoei bij de Klingklang, maar Vrede verlichtte hier de woeste gronden, en waar de bijlen zwijgen en ‘t sprakeloze stof nu verstomt, stroomt glorierijk weer zeewaarts de Waal.”


Geef een reactie